NoSpang.com

Interview met Karin Refos


‘Ik dacht alleen maar: ik kan nu niet doodgaan’
In een luxe appartementencomplex aan de Waterkant in Paramaribo woont zakenvrouw Karin Refos. Nadat ze wat later dan afgesproken thuis komt, verontschuldigt ze zich meerdere malen. Maar het is te begrijpen dat ze te laat is. Refos heeft haar handen momenteel vol aan het project wat ze zelf heeft opgezet en coördineert: Pink Ribbon Suriname. Aanleiding voor de oprichting van de stichting is haar eigen ervaring met borstkanker. In juni 2010 kreeg Refos zelf de diagnose. “Daarna dacht ik: ik heb het met een reden gekregen, ik moet er wat mee doen.”


Nadat Refos zich snel heeft omgekleed, kan het gesprek van start. ‘Beginnen bij het begin? Dat is een lang verhaal hoor’, zegt ze lachend. Refos is tegenwoordig eigenaresse van een door haar opgericht bedrijf  gespecialiseerd in strategische communicatie en branding, STAS International.

Foto: Fieke van Doremalen

Karin Refos wordt op 19 oktober 1957 geboren in Paramaribo. Na een korte carrière als stewardess vertrekt ze in januari 1983 naar Nederland met haar toenmalige man en zoontje van een jaar. Na tien jaar vertrekt het jonge gezin in 1992 naar Aruba. ‘Ik leerde mijn ex-man kennen en die kreeg er een goede baan aangeboden. Toen ik naar Aruba verhuisde, startte ik een integratieproject onder de naam STAS Caribe. Die naam sloeg op Stichting arbeidsmarkt en scholingsvraagstukken.’ Na enkele jaren op Aruba verhuist ze eind jaren ’90 weer terug naar haar geboorteland Suriname. ‘Het doel hier in Suriname was om het genderbeleid, het emancipatiebeleid, op te zetten. STAS Caribe is erg bekend als foundation maar nu wilde ik gewoon commercieel gaan werken en herpositioneerde ik het naar STAS International, als strategisch communicatiebureau.’

Zo is de zakenvrouw in Suriname enkele jaren druk bezig met allerlei opdrachten. In 2005 zorgt ze er samen met haar neefje cabaretier Jörgen Raymann voor dat Suriname een Volksmuziekschool rijker wordt. Het gaat tegenwoordig erg goed met de muziekschool. ‘Er is net een verslag geschreven van het afgelopen jaar.’ Ze lacht: ‘Daar ben je echt zo onder de indruk.’

Tot juni 2010 gaat alles goed. De avond van 23 juni ontdekt Refos een knobbel in haar borst. ‘Ik zat gewoon televisie te kijken en toen voelde ik wat in mijn borst, heel klein. Ik dacht wat raar, wat voel ik nou.’ De volgende dag ging Refos naar de huisarts. ‘In een paar uur wist ik het. Ik ben nooit bang geweest, ik ben erg oplossingsgericht. Dus ik ging mijn vrienden, artsen, bellen en vragen: wie gaat mij snijden?’ Al gauw kwam Refos erachter dat het niet zo simpel was. ‘Ik had me erop gefocust dat ik twee weken had, het moest eruit, ik ging niet wachten. Dus ik heb dat doorgedrukt via mijn huisarts. Ik ging hem bellen en zeggen: luister, zoek nou een chirurg. Ik wil dat ze gewoon gaan snijden en ik ga niet wachten tot er een team is geformuleerd.’ Refos had nog een andere reden. ‘Mijn vriendin was jarig in juli en ik had een dure cruise geboekt, een mooie witte bikini gekocht en ik ging zo naar de dokter: luister ik heb een mooie witte bikini gekocht, doe het nou gauw want ik wil gewoon naar Miami. Ik denk dat ze dachten dat ik het niet serieus nam, maar ik nam het wel serieus. Ik dacht gewoon in een andere richting.’

Ook Refos’ dochter speelde een belangrijke rol tijdens haar ziekteperiode. ‘Mijn dochter zat in de laatste klas van de internationale school en was bezig na die studie naar Amsterdam te verhuizen om daar te gaan studeren.  Ik dacht alleen maar: ik kan niet doodgaan nu. Het is haar laatste jaar en ik moet er gewoon voor haar zijn. Dat was mijn focus.’ Refos bracht haar dochter uiteindelijk weg. ‘In augustus 2010 heb ik haar rustig weggebracht naar Amsterdam.’ Op 10 juli 2010 vliegt Refos terug naar Suriname.

Toen ze terugkwam, moest Refos meteen bestraald worden. Maar niet in Suriname. ‘Ik ben erg belezen maar ik wist niet dat je hier in Suriname niet bestraald kan worden, want daar houd je jezelf gewoon niet mee bezig tot het je overkomt.’ Er werd haar verteld dat ze naar Colombia moest, maar daar twijfelde Refos nog geen seconde over. ‘Ik zei: echt niet, ik ga mijn dochter niet alleen laten. Ik hoorde toen van een vriendin dat haar vader in Amerika kanker had en dat ze hem naar Nederland hebben gestuurd, naar dokter Bob Pinedo. Dat is echt een borstkanker goeroe. Hij was op dat moment op Curaçao. Maar ik moest mijn contacten inschakelen want die man is over de zeventig en behandelt niet meer. Het is gelukt, ik heb mensen ingeschakeld en toen konden we ’s avonds al weg. Dus ik zat dezelfde dag in het vliegtuig naar Curaçao.’ Ze ging elke dag op en neer, 33 dagen lang.

Er werd een team samengesteld dat Refos moesten begeleiden, bestaande uit een chirurg, een oncoloog en een radioloog. ‘Zij vertelden ze me dat ik drie maanden op Curaçao moest gaan wonen. Ik ben één dag teruggekomen naar huis om mijn kinderen te informeren over wat er zou gebeuren. Mijn zoon was op vakantie in Suriname, hij studeerde net af aan de VU in Amsterdam. Hij had er in 24 uur een bedrijf, een hond en een zusje bij.’ Refos’ dochter verhuisde terug naar Suriname om dichter bij haar moeder te zijn. Haar zoon nam ondertussen STAS International over. Refos: ‘Ik mailde hem elke ochtend vanuit Curaçao om te zeggen wat hij moest doen. Hij was toen 27 jaar oud en had nog nooit een bedrijf gerund. Ik vind het echt geweldig, dat ‘ie mijn bedrijf heeft overgenomen. Want kom maar eens naar mijn bedrijf kijken; dan ben je twee dagen zoet.’

Dat Refos zo snel geholpen werd, had ze te danken aan haar contacten. Het is dan ook iets waar ze mee is opgegroeid. ‘Mijn netwerk heb ik opgebouwd. Mijn vader zat ook in de PR en voorlichting en heeft een heel groot netwerk.’ Suriname is volgens Refos een land waar het draait om connecties. ‘Nederland is veel groter, de kans dat je elkaar tegenkomt is veel kleiner. Hier niet. Mijn zoon wordt nu dertig, allerlei vrienden van hem worden nu directeur. Dus hij heeft zijn netwerk. Ik heb dat van mijn vader, mezelf en hem.’ Ze moet toegeven dat ze ook van zichzelf erg goed in netwerken is. ‘Ik ben heel sociaal bewogen.’ Dat geeft soms haat en nijd. ‘Mensen die jaloers zijn, zijn er altijd. Die zeggen dat ik luxe leef, dat is ook zo, maar dat is mijn keus. Ik heb zoiets van: een luxe leven willen ze wel hebben maar borstkanker krijgen willen ze niet.’ Lachend zegt ze haar lijfspreuk: wie naar de hemel wil, moet eerst doodgaan. ‘Ik geloof dat je niet stil moet staan.

Je moet hard werken. Mensen willen dingen bereiken en daarvoor moet je hard werken. Echt waar, anders red je het niet, nergens niet. Als je altijd te laat bent, je financiën kloppen niet, mensen nemen je niet serieus. Het moet tot de laatste cent kloppen. Ik neem geen risico’s. Ik ga niet om met mensen die in de drugs of het illegale circuit zitten.’ Karin Refos leerde dat van haar ouders. ‘Het is fast money, het loont niet. Dat is wat mijn ouders zeiden. Ik ben nooit met dat soort mensen omgegaan.’ Ze groeide op met twee broers. ‘Mijn oudste broer is erg artistiek. Mijn jongere broer houdt zich bezig met een malariaprogramma bij de VN.’ Uit haar vaders tweede huwelijk heeft ze nog een jongere broer en een zusje van dertig. Refos: ‘Ze studeren allebei. In Suriname word je erg gestimuleerd om te leren. Ik geloof dat armoede ook een keuze is. Je kan kiezen om te zitten en te wachten en je kan kiezen om te werken, al moet je schoenveters verkopen. Je moet presteren. Als ik iemand iets beloof, moet ik ook zorgen dat het gebeurt. Ik denk dat eerlijkheid een rode draad is door het hele verhaal.’

In januari 2011 dacht Refos na over wat haar was overkomen. ‘Ik dacht: waarom heb ik borstkanker? Wat moet ik ermee doen? Ik ben erg spiritueel en bij mij is alles in termen van oorzaak en gevolg. Ik moest hier iets mee doen. Ik zag op Curaçao dat er zoveel materiaal is voor vrouwen die borstkanker hebben en dat hebben we hier in Suriname helemaal niet. Ik dacht: ik ga het hier naartoe brengen, ik ga dat hier doen. Al moet ik het zelfde materiaal simpeler schrijven.’ Kort daarna komt ze bij de dokter en geeft iemand haar een Pink Ribbon Magazine. ‘Ik wist niet wat ik zag. Ik denk: dit kan niet waar zijn, we spreken allemaal Nederlands, waarom hebben we die tijdschriften hier in Suriname niet?’ Refos gaat op zoek naar de organisatie, maar kan in eerste instantie niet met ze in contact komen.

Ze heeft dan nog niet aan Pink Ribbon Nederland gedacht. ‘De Nederlandse ambassade in Paramaribo was zo onder de indruk van mijn dossier dat ze me beloofden geld te doneren om Pink Ribbon Suriname op te zetten.’ Maar ook de Nederlandse ambassade heeft geen contacten met de internationale organisatie. ‘Dus belde ik mijn neefje Jörgen, of hij mij in contact kon brengen met ambassadrice Quinty Trustfull.’ Refos reist naar Nederland om informatie in te winnen over hoe zij de organisatie het beste op touw kan zetten. ‘In Nederland hebben ze me in twee uur tijd de hele strategie uitgelegd, wat ik moet doen, hoe en waar. Met name het stukje hoe je werkt met het bedrijfsleven. Ook hebben ze allemaal materiaal meegegeven.’

Na de officiële opening van de stichting Pink Ribbon Suriname op 8 maart 2012 trekt Karin Refos zich terug uit de organisatie en gaat ze zich bezig houden met andere projecten. Wat dat voor projecten zijn, weet ze nog niet. ‘Dingen komen op mijn pad, zoals dit op mijn pad komt. Ik dacht ik ga gewoon een heel groot communicatiebureau met mijn zoon opzetten en dat samen trekken en aan hem overdragen en dan ga ik andere leuke dingen doen. Ik wil mezelf nog twee, drie jaar geven. Ik heb geen zin om op mijn troon te blijven zitten als Beatrix tot ik tachtig ben en hij veertig is. Dat vind ik zonde.’
Door: Fieke van Doremalen


 


We hebben 440 gasten online

Polls